|
De uitverkoop van familieleden om gokschulden te betalen.
The fantastische brieven van onze grootvader: de eerwaarde Ernest Pasaribu.
Volgens de verhalen van mijn moeder, mijn broer en mijn tante, was mijn vader een rijk man, toen zij in Pangururan leefden op het eiland Samosir. Voordat zij verhuisden naar Pangururan, leefden zij in Haunatas, een plaatsje bij Balige.
Mijn vader was een broer van de koning van Pontas Haunatas. Oppoe Purba, Oppoe Parlintong, Goeroe Sinondang met Oppoe Sutan Garoga Habinsaran.
Toen de koning van Oppoe Purba aan de macht was, was een van mijn broers, Tahop genaamd, zeer arrogant. Hij hield zich bezig met gokken en het verkopen van mensen om aan geld te komen. Als hij geen mensen kon vinden om te verkopen begon hij de eigen slaven te verkopen. Toen alle slaven verkocht waren probeerde hij hun familieleden te pakken.
Nadat alle slaven verkocht waren, werd mijn vader vermoord. Mijn moeder was bang, dat iemand van ons ook vermoord zou worden. Daarom verhuisden mijn moeder samen met mijn zus en een ander familielid naar Sibingke, bij Panururan, waar mijn tante leefde. Mijn moeder deed haar best om mij weg te houden van mijn broer, die voornemens was om mij ook te verkopen.
Maar zogauw wij in Sibingke waren aangekomen kwam mijn broer Tahop ook daar naar toe en wilde ons verkopen. Toen mijn moeder ontdekte wat hij van plan was, bracht mijn moeder ons in het geheim naar een andere plaats.
Wij leefden toen een aantal jaren in SiBatubatu. Tahop volgde ons echter overal naar toe. Hij verkocht mijn zuster Nai Porti aan iemand met de naam Siagan. Daarna wilde hij Johannes verkopen, een van onze familieleden.
Toen mijn grootvader daarover hoorde werd hij boos en ging naar Garoga die in die tijd aan de macht was en zei:"Wij kunnen wat Tahop zijn familie heeft aangedaan niet langer verdragen. Wilt u hem alstublieft verkopen of doden, want hij is geen menselijk wezen. Als u dat doet, geef ik u een buffel. Laat Tahop alstublieft Johannes niet verkopen, want hij is onze hula hula" . De twee partijen sloten een overeenkomst. Zij maakten een afspraak wanneer de buffel zou worden gebracht. Maar toen de tijd gekomen was, was Johannes al verkocht naar Sidempuan. Tuan Pasanal had hem gekocht als huisknecht. Daarna werd tuan Panasal benoemd tot dominee in Pangaloan en hij nam Johannes daar mee naar toe.
In de tussentijd, toen wij in Onon Kasan woonden, waren er twee mannen, die wraak wilden nemen op mijn familie voor de vele wandaden van Tahop. Zij deden alsof ze
bij ons op bezoek kwamen en zeiden tegen mijn moeder, dat het beter voor ons was om een nieuw leven op te bouwen in Hutapea, omdat we daar beter zouden kunnen leven dan in Onan Kasang. Zonder achterdochtig te worden stemde mijn moeder in en vertrok samen met mijn broer en ik. Toen wij daar echter aankwamen sloegen zij mijn moeder en mijn broer in de boeien, maar mij niet.
Na drie dagen haalden zij Johannes uit Pangaolan en bracht hem naar ons toe. Lontas zei tegen Johannes: "Kijk naar deze mensen, als je denkt dat ze verkocht kunnen worden, doe het dan. En als ze opgegeten kunnen worden, eet ze dan op."
Maar Johannes zei zacht tegen hen dat hen verkopen of zelfs opeten vreselijk zou zijn. "Doe dat nooit!", zei hij, "Laat hen vrij asjeblieft. Ik zou het op prijs stellen als je hem zoveel mogelijk zou helpen." "Maar als jullie Tahop, die gokker zien, houd hem van hen weg, maar dood hem niet, want , zoals je weet heeft hij hetzelfde bloed als hij." Wij moesten hem wel schadevergoeding ( "sipir no tondi ") geven. Zij hielpen ons met geld om ons daar te vestigen. En zo geschiedde het.
|